Voor een prachtig stadspark, hartje Amsterdam

Afval

COLUMN – SYLVIA WITTEMAN – Volkskrant 8 februari 2021
foto: AT5 – Aimée

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/geergerd-liep-ik-naar-de-vijver-nergens-een-rat-te-bekennen-wel-eendjes~ba807956/?utm_source=link&utm_medium=app&utm_campaign=shared%20content&utm_content=free

Geërgerd liep ik naar de vijver. Nergens een rat te bekennen. Wel eendjes

Het voeren van eendjes wordt al geruime tijd sterk ontmoedigd, onder andere omdat het voer ratten zou aantrekken. Dat is ongetwijfeld waar, maar ik besloot dat ook ratten door de winter moeten komen, net als Jan Splinter, het minimumlijdende broertje van Jan Modaal, in 1983 onsterfelijk gemaakt door Marcel van Dam. (Zijn vrouw schijnt trouwens Truus te heten, Truus Splinter dus, niet Truus van Dam, al is ook die laatste een trotse Hollandse naam.)

Ik sleurde een paar oude boterhammen door dito braadvet in de koekenpan, sneed ze aan blokjes, en toog met deze lekkernij naar het park. Wat zouden Eend Splinter en Rat Splinter blij zijn!
Bij de ingang van het park stuitte ik op een bord dat me nog niet eerder was opgevallen. Er stond op: ‘DE MEESTE MENSEN IN DIT PARK GOOIEN HUN AFVAL IN DE BAK OF NEMEN HET MEE NAAR HUIS’. Het bord zag er keurig en solide uit, duidelijk door de gemeente opgehangen, en niet door een verveelde huisvrouw of gepensioneerde leraar maatschappijleer met zendingsdrang.
Ik keek er met open mond naar. Ik dacht aan de, bijna 100 jaar oude, evergreen ‘LAAT NIET, ALS DANK VOOR ’T AANGENAAM VERPOOZEN, DEN EIGENAAR VAN ’T BOSCH DE SCHILLEN EN DE DOOZEN’. Toen ik klein was, was dat bord al ouderwets en werd het in de meeste bossen en parken vervangen door een vermanende verwijzing naar de oertekst. ‘LAAT NIET ALS DANK…’, stond er dan alleen maar dreigend, met die drie broeierige puntjes. Geniaal. Het zou niet in me opgekomen zijn, als kind, om zelfs maar het schilletje van een zelf gepeld beukennootje op de grond te gooien.
En nu dit. ‘DE MEESTE MENSEN IN DIT PARK GOOIEN HUN AFVAL IN DE BAK OF NEMEN HET MEE NAAR HUIS’. Wat denkt iemand die dat leest? ‘O ja joh? Wat doet al die rotzooi hier dan?’ Of: ‘Nou, ík lekker niet hoor.’ Of: ‘Wie neemt er nou afval mee naar huis?!’ Of, zoals in mijn geval: ‘Waarom neemt de gemeente een passief-agressieve kleuterleidster in dienst om teksten te verzinnen?’
Geërgerd liep ik naar de vijver. Nergens een rat te bekennen. Wel eendjes, die dankbaar mijn vettige broodblokjes naar binnen snavelden. Maar de pret was van korte duur, want daar was de eerste meeuw al. Duidelijk geen arme, tobberige Meeuw Splinter, maar zo’n grote, dikke, luie patatmeeuw die het brood voor de eendjes vandaan griste. En daar waren zijn matties ook al, met hun chagrijnige koppen.

‘ZEG!’ riep ik. ‘DE MEESTE MEEUWEN IN DIT PARK LATEN HET BROOD VOOR DE EENDJES LIGGEN, OF IN IEDER GEVAL EERLIJK DE HELFT!’

Ze lachten me gierend en schaterend uit.